Eend en de Ooievaar

Voorwerp: Een boek

Xavière Kolk Bibliotheek aan de Blokhuisplein 40 - Leeuwarden Plan je route

Hij weet veel van hier. Van dichtbij op het water drijven.

Van ijs zien groeien in de nacht. En ´s ochtends met zwemvliezen op dunne lagen flapperen.

Zij weet veel van ver weg. Van lang vliegen en boven warme landen zweven.

Van oorlog, van vrede. Van zomeravonden staren naar een zee, waar ergens de zon in verdwijnt.

Samen weten zij veel van hier en van daar.

Eend en Ooievaar. Een grappig stel.

Op een dag zei ooievaar: “Zeg, Eend. Eigenlijk ben jij maar een heel dom dier. Je bent klein, je wiebelt met je staart en vooral: je hebt geen idee hoe de wereld er uitziet.” Ooievaar stapte met haar lange sierlijke benen over Eend heen. Hij stond nu in haar schaduw. Ooievaar gooide haar hoofd naar achteren en klepperde trots in haar bos.

Eend deed een pasje opzij, uit de schaduw terug in de zon. “Zeg Ooievaar,” Vroeg hij. “Waarom klepper jij?”

Ooievaar keek neer op Eend en antwoordde dat ze klepperde omdat ooievaars dat nu eenmaal doen. Klepperen.
Eend kwispelde met zijn staartje.

“Ooievaar, weet je ook waarom ik niet kwaak of kwek?” Hervatte Eend het gesprek. Ooievaar wist het niet.

“Omdat ik niet zoveel weet en ik daar anderen niet mee wil lastig vallen.”
Ooievaar zweeg.

En dat deed Ooievaar knap luidruchtig, dat zwijgen:

Hij weet veel van hier. Van dichtbij op het water drijven. Van ijs zien groeien in de nacht. En ´s ochtends met zwemvliezen op dunne lagen flapperen.  Zij weet veel van ver weg. Van lang vliegen en boven warme landen zweven.  Van oorlog, van vrede. Van zomeravonden staren naar een zee, waar ergens de zon in verdwijnt.  Samen weten zij veel van hier en van daar.  Eend en Ooievaar. Een grappig stel.  Op een dag zei ooievaar: “Zeg, Eend. Eigenlijk ben jij maar een heel dom dier. Je bent klein, je wiebelt met je staart en vooral: je hebt geen idee hoe de wereld er uitziet.” Ooievaar stapte met haar lange sierlijke benen over Eend heen. Hij stond nu in haar schaduw. Ooievaar gooide haar hoofd naar achteren en klepperde trots in haar bos.  Eend deed een pasje opzij, uit de schaduw terug in de zon. “ Zeg Ooievaar,” vroeg hij: “Waarom klepper jij?”
Ooievaar keek neer op Eend en antwoordde dat ze klepperde omdat ooievaars dat nu eenmaal doen. Klepperen.  Eend kwispelde met zijn staartje.   “Ooievaar, weet je ook waarom ik niet kwaak of kwek?” Hervatte Eend het gesprek. Ooievaar wist het niet.  “Omdat ik niet zoveel weet en ik daar anderen niet mee wil lastig vallen.”  Ooievaar zweeg.
En dat deed Ooievaar knap luidruchtig, dat zwijgen:
Ooievaar zuchtte. Ze keek naar boven en naar benden. Ze wiebelde op haar lange benen en krabde met haar tenen in het zand.  Eend keek naar haar. Wat hield hij toch van deze prachtige vogel. Zo mooi en sierlijk. Zo knap. Hij wiebelde met zijn staartje en pikte een grasje van de grond. (Dat hij meteen uitspuugde want eenden houden niet zo van gras.)  Na enige tijd nam Ooievaar het woord weer. Dat deed zij omdat ze nooit lang stil kon zijn. Maar ze deed het ook omdat ze iets wilde vragen. En dan is het handig om woorden te nemen.  “Heb jij je weleens afgevraagd of het wel goed is allemaal?” vroeg ze. Eend schudde zijn kop. “Nee. Nooit.”   Ooievaar spreidde haar vleugels en voelde de zon op haar veren.   “Hoe weten we nou of alles wel goed is? Ik bedoel, stel nou, dat het eigenlijk helemaal niet goed is allemaal. En dat het eigenlijk allemaal anders zou moeten zijn. En dat wij dat dan niet weten. Dat zou toch vreselijk zijn?”  Verdrietig liet ooievaar haar hoofd naar beneden hangen. Tranen drupten uit haar prachtige donkere ogen en vielen op het zand.  Eend zag de tranen en troostte zijn vriendin. “Het zou juist vreselijk zijn als
we dat wel zouden weten” zei hij toen haar tranen gedroogd waren. “Dan zouden we er namelijk iets aan moeten doen terwijl we nu juist zo lekker in de zon in ons bos staan.”

Ooievaar moest hier even over nadenken. Dit keer dacht ze na in stilte. En zoals dat zo vaak gaat, van de ene gedachte komt de andere.
“Eend?” verbrak Ooievaar de stilte: “Wat fijn dat wij zulke goede vrienden zijn hé?” Dat vond Eend ook. “En Ooievaar”, antwoorde Eend: “Ook fijn dat er zoveel lekkere wormen zijn hé?” Daar was Ooievaar het weer mee eens. Langzaam liepen Eend en Ooievaar een stukje door het bos. Hún bos.

Verhaal wordt verteld tussen 19:00 – 21:00 uur.

je bent welkom op 26 januari tussen 19:00 en 22:00
2018verhalen

Andere verhalen in deze straat:

‹ Terug naar overzicht

Bekijk de verhalen

Welke verhalen werden verteld op 26 januari?